12 maart 2018

Harrie Verbon (docent en emeritus UvT): Colleges over de EvO, V

College 5 in de cursus over de economie van de overheid (zie voor het begin van de colleges 1, 2, 3 en 4) gaat over de ‘houdbaarheid’ van overheidsschuld, dat wil zeggen, het gaat over de vraag wanneer overheidsschuld zodanig uit de hand loopt, dat de schuld niet meer gefinancierd kan worden. Het is overigens niet altijd duidelijk wat overheidsschuld is. Neem het geval van Noorwegen. Volgens de officiële statistieken bedraagt de overheidsschuld in dat land ongeveer 30% van het nationaal inkomen, maar de overheid van Noorwegen heeft ook een oliefonds dat zelfs nog groter is dan de schuld. Dus eigenlijk heeft de overheid van Noorwegen een vermogen in plaats van schuld. Nederland heeft een schuld van minder dan 60%, maar heeft de aardgasopbrengsten meestal gebruikt om de lopende uitgaven van de overheid mee te financieren. Nederland heeft dus niet, zoals Noorwegen per saldo, een vermogen. Toch heeft de Nederlandse overheid ook bezittingen die geld waard zijn: gebouwen, bedrijven en natuurlijk zijn er grote pensioenfondsen in Nederland die garant staan voor belastingopbrengsten in de toekomst. Dit soort ‘vermogen’ wordt echter gewoonlijk niet afgetrokken van de overheidsschuld. Er zit dus wat willekeur in de meting van de overheidsschuld van een land. De ‘echte’ schuld kan lager zijn dan de gemeten schuld, maar ook hoger (zie Griekenland). In het vervolg gaan we er echter van uit dat de overheidsschuld goed gemeten kan worden en we stellen dan vast dat heel veel overheden in de wereld permanent een schuld hebben, soms zoals in Japan van zelfs meer dan 200%! Waarom gaan dan niet al die overheden op een gegeven moment failliet, zoals Griekenland bijna overkwam rond 2010? Daar gaan we het dus over hebben: begin hier voor dit college.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten