21 september 2016

Jan Bouwens: te veel geloof in de neo-klassieke economie II

Wij zeiden dat Jan Bouwens te veel vertrouwen heeft in de (neo-klassieke) economische theorie. Hij volgt de theorie op gebieden waar het zeer onwaarschijnlijk is dat de neoklassieke theorie van toepassing is. Met name bij de salariëring van topmanagers. In de theorie is het salaris van een werknemer het gevolg van zijn (marginale) bijdrage aan de productie. Het is voor een bedrijf het meest voordelig als het net zo veel werknemers in dienst neemt tot het salaris (dat door de markt wordt opgelegd) gelijk is aan de (marginale) bijdrage aan de productie van de laatst in dienst genomen werknemer (kijk hier voor een duizelingwekkende uitleg, en hier voor een iets rustiger uitleg). Het is waar dat een bedrijf ook een topmanager in dienst moet nemen en dus zullen net zo veel topmanagers in dienst worden genomen tot hun loon gelijk is aan hun bijdrage aan de productie. Maar nu verrijzen er minstens drie problemen! Ten eerste wordt er maar één topmanager in dienst genomen, ten tweede zal het lastig (eigenlijk onmogelijk) zijn de bijdrage van de topmanager te meten, ten derde heeft de topmanager zelf een grote invloed op het salaris dat hij krijgt. Deze drie problemen zouden al genoeg moeten zijn om de theorie op dit punt (de salariëring van topmanagers) in de prullenbak te gooien. Niet voor Jan Bouwens, want hij beroept zich op een artikel van twee slimme Franse economen Gabaix en Landier, generatiegenoten van Thomas Piketty, waarin wordt ‘aangetoond’ dat de beste topmanagers naar de grootste bedrijven gaan en ook meer betaald moeten worden, naarmate ze een groter bedrijf leiden (kijk hier voor een wat bredere en meer verbale uitleg). Aangetoond staat tussen ‘ ’ omdat het eigenlijk niet wordt aangetoond, maar wordt aangenomen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen