08 mei 2015

Nick van de Sande (VNO-NCW): rendementsdenken leidt tot kwaliteit in HO

Wij kennen de prestatieafspraken tussen de universiteiten en het ministerie. Het VNO-NCW bij monde van Nick van de Sande vindt die afspraken prima. Nick schrijft: “In de gemaakte prestatieafspraken worden indicatoren vastgesteld die bovendien door hogescholen en universiteiten zélf worden aangedragen. Van deze indicatoren gaat twee derde over kwaliteit van het onderwijs, en een derde over doelmatigheid.” Inderdaad, hogescholen en universiteiten hebben zelf de indicatoren aangedragen, dat is wat ik collaboratie van bestuurders noem. Bestuurders die, als een soort Joodse Raad, gaan zeggen wat de docenten aan de opleidingen moeten bereiken zonder daar met die docenten zelf over te spreken. Ikzelf moest uit de krant vernemen wat er op mijn universiteit van docenten werd verwacht. Werd er kwaliteit verwacht, zoals Van de Sande schijnt te denken. Twee derde van de indicatoren ging immers over kwaliteit. Die indicatoren vindt u hier in bijlage 1a met de titel: “Verplichte indicatoren onderwijskwaliteit en studiesucces.” Laat ik nu maar even niet flauw doen door op te merken dat er zeven (7) indicatoren zijn en dat twee derde van 7 niet een geheel getal is. Van de Sande bedoelt waarschijnlijk dat criteria 1b, 4, 5 en 6 (dus vier van de zeven) over kwaliteit gaan. Neem indicator 6, ‘onderwijsintensiteit’. Dat gaat over het aantal opleidingen met minder dan 12 contacturen. VNO-NCW vindt dat zo belangrijk dat er in een brief aan de minister op wordt aangedrongen het aantal minimale contacturen te verhogen tot 15. Leidt dat tot meer kwaliteit? Niet altijd: een belabberde opleiding wordt echt niet beter als de docenten 24/7 contact houden met hun studenten. Meer contacturen kan wel tot meer kwaliteit leiden, maar het hoeft dus niet. Dit soort criteria leidt alleen maar tot cijferfetisjisme en geen enkele waarborg voor meer kwaliteit.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen