04 december 2014

Sylvester Eijffinger: sport is geen economie

Het artikel van Sylvester Eijffinger over het verval van de economische wetenschap is een goudmijn voor dit blog. Al twee keer schreven we er over en we zijn nog maar bij de derde alinea van dit epos aanbeland. Deze derde alinea gaat, ondermeer, over ‘sporteconomie’. Sporteconomie als een aparte tak van de economische wetenschap is groot in de VS. Niet zo verwonderlijk, gezien de verknochtheid van Amerikanen aan sport en de miljarden dollars die er in de grote sporten daar omgaan. Colleges sporteconomie zijn standaard in het curriculum van sommige economische faculteiten en zijn soms razend populair. Eijffinger houdt niet zo van sport, behalve misschien van wielrennen, want hij schrijft: “Tegenwoordig houden sommige micro-economen en econometristen bij ons zich bezig met tennis- en voetbalscores, de statistieken bij de 100-meter-sprint of het gebruik van drugs. Men kan zich afvragen wat de toegevoegde waarde van dit soort onderzoek is." De lezer vraagt zich misschien iets anders af, namelijk wie deze heren (geen dames) bij “ons” zijn. Welnu, ik zal het hier maar verklappen, het zijn (schrijft u mee): Jan Magnus, John Einmahl, Jan van Ours en Martin van Tuijl. Doen ze inderdaad van die overbodige dingen? Een voorbeeld: de eerste twee heren werden acht jaar geleden even beroemd door hun uitspraak dat de 100 meter sprint in 9.29 kan worden gelopen. Ze deden die uitspraak met behulp van ingewikkelde statistiek. Aan de hand van prestaties van topatleten maakten ze een soort statistische verdeling van mogelijke tijden en keken in de ‘uitersten’ van die verdeling wat de snelst mogelijke tijden zijn. Dit is statistiek en geen economie, maar het zou misschien helpen als economen als Eijffinger ook eens wat beter naar de ‘uitersten’ van economische verschijnselen zouden kijken. Dan kunnen ze misschien wel de volgende crisis voorspellen. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen