13 november 2014

Sylvester Eijffinger: “interview geen topeconomen”

Sylvester Eijffinger is er in de loop van zo’n 30 jaar in geslaagd om een bekende Nederlandse econoom te worden. Daar heeft hij, zoals ik van enige nabijheid heb kunnen constateren, heel wat moeite voor moeten doen. Hij heeft journalisten moeten bestoken met zijn schrijfsels en er voor moeten zorgen dat die schrijfsels ook werkelijk in allerlei kranten geplaatst werden. Verder moest hij natuurlijk ook bij de ‘echte’ topeconomen over de vloer zien te komen. Dus regelde hij bezoeken aan Harvard waar hij, naar eigen zeggen, heel veel met beroemde economen lunchte. Reken maar dat dit een groot uithoudingsvermogen vergt. Ik ben er bijvoorbeeld niet voor in de wieg gelegd, ik word al moe, om niet te zeggen depressief, bij het idee dat ik een journalist moet bellen. Enfin, het is hem allemaal gelukt en om een of andere reden heb ik daar dan toch waardering voor (eerlijk waar, geen ironie). Het lijkt mij niet dat hij daarmee onsterfelijkheid zal bereiken, maar tegen het einde van zijn carrière zal hij, net als Frits van Egters in De Avonden kunnen zeggen: “Het is gezien (…) het is niet onopgemerkt gebleven.”  Maar dan moet hij het niet gaan verprutsen door journalisten tegen zich in te gaan nemen. Zo schreef hij deze week dat “het journaille als een kudde” achter drie buitenlandse economen aanliep. Dan krijg je reacties als die van journalist Martin Visser, die enigszins snerend zegt dat hij zeker alleen maar “Eijffinger, Eijffinger en Eijffinger” mag interviewen in plaats van Summers, Piketty en Stiglitz. Kortom, om een van Eijffingers eigen geliefde uitdrukkingen te gebruiken: “Reputatie bij journalisten komt te voet, maar vertrekt te paard.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten