19 februari 2014

Sven Kramer (schaatser): Olympisch zilver dankzij mazzel

Alleen Nederlanders zijn in staat om ruim 12 minuten zonder verveling naar twee schaatsers te kijken die in een relatief traag tempo in 25 rondjes 10 kilometer afleggen op een 400-meter ijsbaan. Elders in de wereld ziet niemand het enerverende van deze inspanning in. Ook beleven maar weinig buitenlandse schaatsers er kennelijk veel lol aan om deze afstand te rijden. Noren en Russen (30 jaar geleden nog behorend tot de grootmachten in het zogenaamde langebaanschaatsen) waren in de laatste Olympische 10 kilometer (gisteren) nergens te bekennen. Er deed een verdwaalde Koreaan en Belg mee en nog wat Duitsers en zo, maar slechts als programmavulling. In Nederland zijn het voornamelijk schaatsers met een Friese achtergrond die 10 kilometer schaatsen als de hoogste vorm van sport zien. Momenteel zijn er uit dat buitengewest twee toptalenten actief (Jorrit Bergsma en Sven Kramer) die elkaar gisteren het goud betwistten. Kramer ‘won’ het zilver, maar het voelde als verliezen, dat was duidelijk. Maar was dat wel zo duidelijk? Stel nu eens dat de 10km echt een wereldsport zou zijn. Stel bijvoorbeeld dat de Chinezen (die goed kunnen schaatsen) ook de 10km op de lange baan zouden omarmen als het toppunt van sport. Als er dan procentueel net zo veel toptalenten in China zouden zijn als momenteel in Friesland (2 toptalenten op iedere 650.000 inwoners), dan zouden er zeker zo’n 4500 Chinezen moeten zijn die minstens zo goed zijn als Sven Kramer. Zo niet beter. Op grond van pure statistiek moeten we dus concluderen dat het behalen van zilver door Kramer pure mazzel was.    

2 opmerkingen: